Leros
De laatste avond in Griekenland. Wellicht dat ik wat uit mijn pen krijg. Als ik de afgelopen weken bezie, is het of 'de hel van Dante' is opgevoerd. Een niet aflatende stroom van beelden en geluiden gaat door mijn hersenen. De laatste dag op Leros, het lijkt een eeuwigheid geleden.
Gisterenochtend met het mooie weer op mijn brommertje op weg naar Lepida, de mannenkliniek. Er moet bij de ingang gebeld worden om een fiat te krijgen van de president van de kliniek; "Dat noordelijke type, kalend en hij ziet eruit alsof hij doodziek is? O.K., dat is hem. Laat maar door." Hoestend en proestend rij ik verder over het terrein, dat ik inmiddels vrij goed ken. Links ligt het beruchte zevende, de afdeling van de ouder geworden zwakzinnige jongeren. Daar zal ik straks naar toe gaan. Links en rechts van mij zijn 'verpleegkundigen' aan het schilderen! Alles wat los en vast zit: muurtjes, deuren, hekwerken. Maandag komen de belangrijke mensen langs van het ministerie en de E.G., voor even wordt deze bouwval weer mooi aangekleed. Men is al aan het oefenen met de patienten om kleren te dragen. Rechts van mij is nu een overmaats voetbalveld, breed uitgestrekt voor het voormalige paleis van Mussolini. Nu doet het dienst als paviljoen elf. Honderden mannen lopen ongecontroleerd rondjes op hun eigen vierkante meter. Een vijftigtal ligt als een zooitje hippies door en over elkaar heen voor een klein muurtje dat recht op de zon staat.
Hiervan moet ik opnamen maken. Maar het stoot me af. Ik durf er niet midden in te gaan staan. De mannen slechts gehuld in een vaalgrijze jutezak hebben voor mij een onzichtbare barrire gemaakt. Ik loop erlangs, de beteren spreken mij aan, "I've been in Montreal, Australia" of "Siamo matti" (we zijn gekken). Veel mensen hebben gevaren of spreken italiaans, door de lange bezetting van de Italianen van het eiland tijdens en na de laatste wereldoorlog. Ik zeg wat terug , draai een shaggie voor ze. Nu het 'elfde' in. Mannen die niks doen. Hangen, liggen, zitten in de grauwe donkere gangen. Ik maak wat opnamen. Eigenlijk ben ik te ziek, ik schakel over op de automatische piloot en probeer mijn gedachten alleen nog bij het kader te hebben.
Nu wat afdelingen af. Overal zijn ze aan het schilderen, maar de situatie wordt er eerder troostelozer van. Op het 'zestiende' probeert de tweede psychiater mij van zijn goede bedoelingen te overtuigen. Boven wordt een ruimte ingericht voor resocialisatie, buiten krijgen de mannen een kip en een geit.
Buiten schijnt de zon maar deze mensen kunnen niet naar buiten, ze reageren berhaupt niet. Platgespoten mummies in een hoek bijeengedreven omdat hun ruimtes moeten worden schoongespoten, de stront moet van de muren.
Terug langs het voetbalveld. Langzaam trekt een stoet van een paar honderd mannen op naar het elfde. Er wordt gegeten. Langs andere afdelingen; puin en troep. Ik raak steeds meer emotioneel geblokkeerd. Dan naar het zevende. Een lachend meisje van vijftien, achttien, twintig?, zwaait naar me vanuit de gang. Een vrolijk gezicht op een volkomen mismaakt lijf. Haar benen liggen naar links en naar rechts uitgespreid. De bewakers slaan op tilt, dit is lang niet gebeurd. Bellen! Je doet maar, ik kijk alvast rond. Gelukkig kan ik slecht ruiken, al dringt zelfs nu de gore lucht in mijn neus. In een soort schuurtje buiten het gebouw, half onder de grond, zitten zo'n dertig jongeren bij elkaar. Als ik hoest zitten er drie grapjassen mee te hoesten. En van hen zit de hele tijd te neurin, elke keer dezelfde deun. Op den duur maakt het me gek.
God betert dat in deze ruimte waar vrijwel iedereen op de grond zit een lilliputter de bewaker is. De gruwelen van de hel waar allen tezamen worden gedreven in hokken van twee meter hoog, alle ramen openstaan en ieder zich zo nu en dan probeert te verwarmen aan de met gaas omwikkelde kachel.
Weer naar boven de zalen op. Een kleine zaal, de gordijnen dicht. Acht wezens liggen vastgebonden op bed. Een is uit bed gehaald en zit nu kotsend op de vloer, na de vissoep. Alles onder de rotzooi. De zuster komt binnen en legt iemand onder de dekens om te bedekken voor mijn foto's. Wellicht dat zondagavond de soepjurk vervangen gaat worden.
Langzaam moet ikzelf kotsen en voel me goddomme steeds zieker worden. Ik loop verder en zie in een hoek een kind liggen. Vastgebonden aan haar bed. Overmand door emoties loop ik het terrein af, zonder nog een foto te kunnen maken. Dit kleine kind is drientwintig, maar met de ontwikkeling van een driejarige. Vanaf de geboorte in deze puinhoop, stil te wachten tot het doodgaat.
's Avonds op de boot lig ik in mijn slaap te ijlen van de koorts.
Gerlo Beernink.